is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij het uitvaren rent de kotter hen met ronkende motor voorbij; hij trekt een hooge hekgolf in het stille water, zoodat de U.K. 183 ervan dansen gaat. Straks zullen zij zoo'n schip hebben. Het zal een overgang wezen van hun kleine, oude schuit, zwaar gelapt aan boeg en boord, met een benauwd voorondertje, een tochtige stuurkast en een motortje van nog geen vijftig P.K., naar zoo'n moderne kotter, waar alles even ruim en hecht is, die een frisch vooronder heeft en een Kromhoutmotor van 120 P.K.

In het aardige raadhuis, een vijf en twintig jaar geleden in oud-hollandsche stijl opgetrokken, houdt een rijksambtenaar zitting. Hij zal de nadere toelichting der visschers hooren, met betrekking tot hun aanvragen om vervorming van hun bedrijf. Buiten wachten de aanvragers. Ze rooken en pruimen, trekken eens aan hun halsdoek, zetten de platte vilthoed rechter op hun kop.

Zenuwachtig zijn ze heelemaal niet. Waarom zouden ze dat zijn? Zoo'n meneer uit Amsterdam is ook maar een mensch. En ze vragen toch niets meer dan hun recht. Dat ze wat hard praten, zoo, dat het galmt door het nauwe straatje, dat doet de gewoonte. Aan boord van de botter, waar de wind altijd fluit, de zee immer ruischt, en de motor al gedurig pompt, verleer je het fluisteren. En dat ze maar steeds heen en weer stappen, inplaats van op een hek te hangen, zooals ze doen wanneer ze aan de haven een middag met wachten moeten doodmaken, dat heeft ook zijn oorzaak. Ze zijn vandaag in hun Zondagsche pak. Ze dragen zachtleeren pantoffels, ze hebben een glanzend zwart lakensch buis en broek aan. Daar-