is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Post wendt zich af. „Man, je daze."

Hij loopt op Meun toe, die ook aan de kade staat. „Vertel jij maar es wat er te doen is. Die daar verkoopt kletskoek." „Het is toch waar," verzekert Meun somber.

Men drukt Post een krant onder de oogen. „Bij beschikking van den Minister is de visscherij met het kuilnet op de Zuiderzee verboden voor vaartuigen voortbewogen met mechanische kracht."

„Oh! dat is tegen de sleepbooten," roept Post opgelucht uit. Gesprekken met visschers aan de wal over deze concurrentie spelen hem door het hoofd.

„'t Is tegen ons," weet Meun stellig.

De haven loeit van boosheid. De visschers zieden van woede op de doerakken aan de wal, die hun het brood uit de mond stooten.

Post kan het nog niet gelooven. „Hoe is dit nou mogelijk," vraagt hij. „Hoe kunnen ze ons nu van de Zuiderzee wegjagen. Ons, die er midden in wonen. Dat is toch onrecht!" „Was 't geen onrecht, toen Taal een nieuwe schuit kreeg, en wij heen konden gaan?" vraagt er een.

Voor Post z'n begrip is er toch onderscheid. Crediet is een soort gunst. Maar op de Zuiderzee hebben zij een natuurlijk recht. Zij wonen midden in die zee. Zij hebben er gevischt van ouder op kind, eeuwen lang. Hun levensbron is deze zee altijd geweest, zooals het land de levensbron is van de menschen aan de wal.

Het bericht in de krant is echter overduidelijk. En de burgemeester ontvangt er de officieele bevestiging van.

„Mannen, onderwerpt je aan de wet," raadt hij met klem. „Je