is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelfde onbehaaglijk gevoel van straks komt weer boven. Hij schaamt zich dat zijn zoon loopt met „Het Volk".

„Je moest het niet doen, jongen."

„Gezeid blijft gezeid," antwoordt Riekelt. „Ik heb 't beloofd; nou doe ik het ook. En is dat stuk niet goed?" „Ja, dat stuk is goed," weifelt Post.

„Nou dèn!" Riekelt loopt langs zijn vader heen naar buiten. Een paar vrienden helpen hem de kranten te verspreiden. Onderweg komt Riekelt Lub Taal tegen.

„Zoo," zegt die met opgetrokken neus. „Doe jij dat werk??" Riekelt kleurt tot in zijn hals.

„Je durfde toen geen bioscopie pikken," sart Lub verder. „Nou durf je beter, zeg."

Riekelt doet of hij 't niet hoort. Hij wil hem ook een krant geven. „Er staat wat over het eiland in, over de visscherij, wat goeds. Lees es."

Lub trekt zijn hand terug, alsof hem een serpent was voorgehouden. „Dank je," zegt hij. „Aan dat vuil bezondig ik mij niet."

„Stik, vent!" valt Riekelt uit.

Kwaad loopt hij door.

Die avond leest Urk voor de eerste keer „Het Volk".

De volgende dag heeft „De Standaard" al een antwoord op

het Volk-artikel. En wat voor antwoord!

Het is niet waar, dat de Zuiderzee voor de Urkers gesloten

is. Zestig Urker botters visschen er nog dagelijks

Riekelt briescht als hij dat leest. Het is waar. Maar die zestig

zijn de kleine zeildertjes, wrakke schuitjes van oude en arme