is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de macht van het roode beest. Hoe is 't mogelijk, hoe is 't mogelijk."

Ze hadden hoonend gelachen, alle vier. „Die oue is kindsch," zeiden ze tegen elkaar. Maar bij Riekelt was de angel blijven steken, en hij was weinig spraakzaam, toen aan de steiger te Enkhuizen een groote groep partijgenooten de Urker betoogers opwachtte en met hen meeging naar het station.

Maar nu is dat gevoel weer over. Riekelt wordt meegetrokken in het rhythme van de opmarsch; hij veert op in de vroolijkheid en het gejuich; fier houdt zijn stoere vuist de roode vlag; en trotsch klepperen boven zijn hoofd haar banen. De stemmen van de Urkers, sterk geworden in weer en wind, zingen daverend boven de bakkertjes en klerkjes uit:

Op, makkers, ten laatsten male

Tot de strijd u geschaard,

Want de Internationale

Zal morgen heerschen op aard!

„Héé, Urkers!" hoort Riekelt een verbaasde uitroep van terzijde. Onwillekeurig gaan zijn oogen naar de stem. Het zijn twee oud-Urkers, een man en een vrouw. Riekelt kent ze en zij herkennen hem. Maar in hun oogen is geen blijdschap over de ontmoeting, zooals er anders altijd is als Urkers elkander aan de wal zien. Dezelfde pijnlijke verbazing, die Mar in haar oogen had, toen hij de eerste maal de roode krant verspreidde, en die er weer was, toen hij lid van de S.D.A.P. geworden was, herkent hij nu opnieuw; hetzelfde smartelijk verwijt. Hij ziet het maar een oogenblik. De stuwing van de stoet