is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zeker, zeker. Zoo is het; zoo voelen wij het ook. Maar zij.... Het komt van de wal, hè!"

De dominee schudt het hoofd. „Wonder volk toch. Gastvrij als nergens; gul, hartelijk en spraakzaam. Maar het zevende gebod telt de helft heel licht; over het mijn en dijn hebben velen vreemde begrippen. En nu dit! Is dan al het preeken van mijn voorgangers en van mij voor niets geweest? Zijn al die vrome gesprekken, die bevindingen, waarover ze zoo dierbaar spreken kunnen, dan schijnheiligheid?"

„Niet zoo somber, dominee," troost de oude burgemeester. „Ze zijn lang niet allemaal dieven, al wordt er wel eens een konijn gestolen. Er zijn zeer veel flinke Christenen onder hen, en geloof nooit dat het huichelarij is, als ze spreken over de wegen, die God met hen hield. Maar het isolement heeft niet alleen goede kanten. Ze hebben hun eigen opvatting over recht en onrecht gekregen, en het valt hun moeilijk om zich te confirmeeren aan de rechtsregels van de wal. Het zal niet énkel verlies zijn als Urk eiland af wordt."

De volgende morgen is de haven leeg. De heele vloot vischt alsof er geen briefje aangeplakt geweest is. En 's avonds vallen al die schepen te Enkhuizen binnen om hun ruime vangst te lossen.

De visschers daar zetten groote oogen op. „Wisten jullie niet,

dat je niet meer visschen mocht?"

Een breede lach op de facies van de Urkers.

„Ze zullen jullie wel leeren," voorspellen de Enkhuizers.

Nu worden de Urkers grimmig. „Als ze ons aanraken, gaan

ze d'r an!"