is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het mooie beeld breekt. Mar, wier zorgen de laatste weken lichter waren geworden, was gister hard geschrokken. Ze huilde toen ze hoorde van het briefje bij de afslag. Ze huilde nog erger, toen hij vertelde, dat ze toch gingen varen. Niet doen, had zij gesmeekt. Niet doen, daar komen ongelukken van. Hij had niet willen luisteren. Dit zijn mannezaken; daar moeten vrouwen zich buiten houden. Toen was ze stil geworden, maar vanmorgen had ze hem nagekeken met een trieste, vreemde blik.

Riekelt neemt het wekkertje van de spijker, houdt de wijzerplaat bij het zwakke compaslicht.

„M'n tijd verdroomd," bromt hij. Een half uur te laat. „Hale!" gaat zijn roep naar het vooronder.

Als Toate en Dubbele boven komen, brandt het groote licht al en snort de lier. De botter draait bij. Piepend schuift de staaldraad over het ijzer beslagen boord. Daar komt de boom. Het net volgt: breed gaapt zijn mond boven het zwarte, kolkende water. De lier rolt door. Kettingen rammelen. Het aatje! Nu heeft de motor zijn plicht gedaan en komt het aan op mannenkracht. Riekelt en Dubbele slaan hun handen aan het volle net.

Ahoi! ahoi! Nog een rukje Het aatje is binnen.

Los de strop!

De gladde aal gulpt in de schuit Een prachtig schot!

„Héé, schipper!" galmt het achter hen.

Ze schrikken op. Wie praait hen daar?

Een licht komt op de botter af.

Zeker een Urker, die wat noodig heeft.

„Jaaaa!" schreeuwt Post terug.