is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niemand weet het.

Meun is in twijfel. „Doen wij er wel goed aan?" vraagt hij. „Bezondigen wij ons niet?...."

Zijn zwak protest gaat verloren in een storm van stemmen. „Het is onze zee. Zij zijn de dieven, die lui daar in Den Haag. Zij ontstelen ons onze visch. Zij trappen ons recht!"

Meun kan daar niet tegen op. Niemand hoort wat hij nog mompelt.

Dan gaat hij de deur uit voor een eenzame wandeling om Top. De frissche zeewind moet klaarheid brengen in zijn verwarde denken.

Die wandeling brengt klaarheid. Des Maandags blijft Meun's

botter liggen.

Al de anderen varen uit.

Ze lachen om Meun, en zijn knechten maken zich boos. „Wat denk je, dat wij van de wind kunnen leven? Onze kinderen hebben honger. Wij willen er uit!"

Meun houdt zijn armen over de borst gekruist. „Gods Woord verbiedt het," zegt hij rustig. „Wij moeten onze overheid gehoorzaam wezen."

Golven van hoon en boosheid gaan over Meun's hoofd. Hij verdraagt het gelaten.

Het is een mooie zomeravond. Een lichte nevel is opgekomen. Ze legt zich als een deken op het water. In die deken is de zon zoo juist ter ruste gegaan. In het zuiden pinkelt de eerste ster. Dubbele heeft de wacht op de U.K. 183. Post en Riekelt rusten in de kooi. Het is de laatste trek. Nog een kwartier, dan is het tijd van halen, en gaan ze naar de haven toe.