is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„We zullen ze wel klein krijgen," zegt hij met een harde stem. Zijn vingers draaien aan het cijferbord van het telefoontoestel.

Onverstoord gaat de palingvisscherij voort.

Ook Post vischt door. Even heeft hij geaarzeld, na die spannende avond. Zulks komt op je zenuwen aan. Maar Riekelt heeft hem aangevuurd om vol te houden: „Dat geeft je kop als Urker toch zeker niet op, vader. Je zou wel gek weze om een armoedje te zoeken op de Noordzee, als je hier de visch voor het opscheppen hebt." Zoo zijn ze weer aan het visschen gegaan. En ze hebben waarlijk de kor teruggevonden bij het bakentje, dat Post inderhaast bij het kappen overboord geworpen had.

Beneden staat het eten te vuur. De aardappels in het netje in de pot; de bot daar bovenop. Dat wordt samen gaar in één water. Riekelt is kok. Maar hij is haastig weer omhoog gedoken, zoodra het eten opstond. De zon brandt op het dek van het vooronder en de vuurduvel staat gloeiend. Het is geen harden beneden. Met zijn rug tegen de stuurkast hangend, laat hij zich lekker doorwaaien; een sigaret gloeit tusschen zijn lippen. „Geen onraad?"

Die vraag is op de Urker vloot in deze zomer net zoo algemeen geworden als vroeger „Was 't nog wat?" de stereotype informatie naar de vangst.

Neen, geen onraad. Het grijze bootje is nergens te zien. Rondom korren de botters. Ginds gaat de Lemmerboot. Aan bakboord tuft een buitenvaarder met de hakenkruisvlag. Te loevert loopt een motorjachtje op hen in. Riekelt kijkt naar dat