is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eerst was dat wel zoo. Toen was de kleine Jelle zijn troost bij alle tegenslag. Als Mar de kleine op haar schoot had of als hij het kind in zijn armen hield, vergat Riekelt de ellende van consenten en vischacten en kuilverboden. Dan was hij niet meer de verschoven visscher, maar de blijde vader.

Mar had het eerst gemerkt, dat er iets niet in orde was. Vreemd, had ze gezegd. Het kind lacht niet. Och> meid, antwoordde toen vrouw Meun, zoo'n wurm kan niet altijd lachen. Een poosje later had ze geklaagd, dat het kopje zoo slap bleef. Dat komt wel bij, had de moeder weer getroost. Jullie wille zoo'n schaap op slag groot hebbe. Geduld maar. De weken gingen voorbij. Het bleef maar zoo. Voorlijk is hij niet, had moeder toen toe moeten geven.

Later was het Mar opgevallen, dat de oogjes zoo starend stonden.

Dat is toch niet goed, moeder.

Weer had de oude vrouw willen sussen, maar deze keer was ze niet erg beslist geweest in haar ontkenning.

Er was een vreemde onrust in Mar geslopen. Ze had aan het kind van Jannechien gedacht, aan gekke Dorus, aan de simpele dochter van Gert en Femmegien. En op een dag had ze het wicht meegenomen naar het spreekuur van den dokter. Bij het onderzoek had ze strak naar diens gezicht gekeken. Toen wist ze het al.

„Geduld, meid," had de dokter gezegd. „Geduld, dit zal wel in orde komen, hopen we."

Het had haar niet misleid. „Zeg het maar, dokter, had ze heesch gezegd. „Zeg het maar gerust. Ik hoor liefst dadelijk de waarheid."