is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zellig te passeeren. De Urkers liggen allen met verstijfde leden op hun kribben.

De anderen zijn er nog eerder uitgevallen dan Riekelt. Sommigen hebben na het eerste schaft hun schop al dadelijk neergegooid, en slechts het harde dreigement van den opzichter: wie niet werkt zal ook niet eten, heeft hen weer op doen staan uit het gras waarin ze neergevallen waren. Ze hebben voor het oog nog wat gewerkt, maar het was niet veel meer dan spelen met het gereedschap. Grond verzetten ze haast niet. Kunnen we nou niets meer? vragen ze zichzelf verwonderd af. Zijn wij nu zulke stumperds, wij, toch reuzen vergeleken bij die kleine spichtige Drenten!

Ze zijn toch waarlijk geen verweekte jongens. Op zee zijn ze het volle etmaal in 't spier, een heele week achtereen, en het halen van de kor is heusch geen gekheid. En moe voelen ze zich nooit.

Maar hier: na een paar uur werken vallen ze om van uitputting.

De slaap brengt wat verkwikking. De volgende morgen doen hun botten nog wel pijn, maar het eten smaakt weer en het bloed stroomt krachtig door hun aderen. Ze kunnen weer werken.

Riekelt pakt weer aan, kalm nu. Hij weet zich deze dag op de been te houden. Maar nu beginnen de Drenten te mopperen. Die Urker is een rem op hun ploeg. Door hem kunnen zij de geaccordeerde dagtaak niet halen, en dat zal zich Zaterdag wreken in het loon. Ze vloeken den Urker uit en ze lasteren daarbij Gods Naam.

Triest en verveeld zitten 's avonds de Urkers in hun keeten.