is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hulpzoekend naar zijn vrouw; die is diep over haar breikous gebogen. Rijkholt zit er zwijgend bij, en Kramer voelt nu heel scherp hoe dwaas de gedachte is: God op zijn trcon plaatsen. Wie dat zegt heeft geen besef van Gods wezen.

„Ik zou maar met die rommel breken," raadt Rijkholt eindelijk.

Nu stuift Kramer weer op. „Kun jij gemakkelijk zeggen! Jij

moest er maar zoo tusschen zitten als ik. Naar de kelder ga

ik, naar de kelder...." Hij wringt zijn handen.

„Ei zoo," zegt Rijkholt met een licht sarcasme, „ben je daarom

naar Mussert geloopen. Dan was dat van zoo pas dus maar

een doekje voor het bloeden."

Dit valt in slechte aarde.

„Steenen gooien, dat kun je!" schreeuwt de winkelier. „Maar een arme schobber helpen, dat vertik je!.... En nu kom je hier om mij te vermanen." Hij lacht schril.

„Louwe!" waarschuwt zijn vrouw verschrikt.

De dominee is verbluft door de uitval.

„Heb ik je hulp geweigerd?" vraagt Rijkholt. „Je hebt me geld terleen gevraagd, toen je meende dat je het straks terugbetalen kon, maar je hebt zelf ingezien dat het dwaasheid was om goed geld naar kwaad geld te gooien, nu de droogmaking niet doorgaat."

Kramer antwoordt met een grauw.

De dominee meent, dat ze nu maar moeten gaan Over deze kwestie kan later nog wel eens gesproken worden. „Zullen we nu bidden?"

Ze buigen alle vier hun hoofden. De eerste gewijde woorden stuiten tegen de ruzietoon van straks. Dan wordt een ver-