is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wisselt voor een zwart hemd met een koppel, zooals Louwe tegenwoordig draagt, als hij in Zwolle op N.S.B.-vergaderingen is? Wanneer is het vertoond, dat jonge menschen leegloopen, niet in een strenge winter, maar een heele kostelijke zomer door? En wanneer is er zoo'n geest van opstandigheid en Godverlating op het eiland geweest als nu?

Dit is alles de schuld van die dijk.

„Hoe was het?" vraagt de oude vrouw Meun, als haar man thuis komt.

„Slecht," zegt Meun. „Riekelt is niet op zijn plaats tegenwoordig en Mar heeft daar last van."

„Jij ook."

„Ja," zegt hij, „wij ook."

Het heele eiland zit in de ban van het fatum: geen zee, geen land. De visschers en de middenstanders gaan gelijkelijk gebukt onder de toestand. Er is geen enkel uitzicht meer, voor niemand. Urk is ontworteld en de beloofde nieuwe levenssappen worden aan het eiland onthouden.

Alleen Lub Taal heeft zijn oude grijnzende lach behouden. Zijn groote schip vaart regelmatig uit en als hij binnen is, rookt hij dure cigaretten; in de Willem Barendsz slaat hij 's Zaterdagsavonds graag een borrel om.

Niemand weet waar de Taal's het geld vandaan halen om hun bedrijf op gang te houden. Want de groote regeeringsschepen mogen meer visch vangen dan de kleine bottertjes, ze kosten ook meer. Wat daar afgaat aan olie en wat er noodig is voor rente en aflossing is geen kleinigheid....