is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om het kleine eiland tot de einder toe. Tenzij op heldere dagen de lange Jan van Enkhuizen als een zwarte vinger opsteekt boven de westerkim en Friesland als een vage schemer in het noorden is te onderkennen.

Vroeger was het op die zee nog tierig. Toen zeilden van het vroege voorjaar tot heel diep in de herfst de botters rondom Urk op vangst naar haring, ansjovis en bot. Thans is er heel de lange winter, tot ver in de lente, geen visschend zeil op zee te zien. Daarna komen er wat jagers naar aal, maar die vloot dunt ook met het jaar. Een paar maal daags de postboot, heel in de verte de pluim van de Lemsterboot en een enkel eenzaam vrachtschip, dat is alles wat de laatste tijd van de Berg te zien was.

Plotseling is Urk uit zijn eenzaamheid verlost en opgeheven uit zijn dorre rust.

Raderen knerpen; met doffe stooten tuimelen de baggeremmers over de assen van de molentorens, en rommelend storten klei en leem langs de vloeigoten in de bakken. Kraanschepen bijten met de reuzenbekken van hun grijpers in de lading van een bak en werpen, na een hijgende hijsch, het gulzig ingeslikte leem op de groeiende dijk. Een cordon van zandzuigers is rondom het eiland gelegerd. Hakkepoffers zwermen er blazend omheen. Logge bakken drijven weg en komen weer. De havens liggen berstend vol met woonarken en directieschepen. Waar vroeger de stille hoek was, weren zich nu de Sliedrechters bij het vlechten van zinkstukken. De pittige geur van versch rijshout hangt over de kade. De marine van De Blocq van Kuffeler, die vier jaar werke-