is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ds. Niekamp staat op uit z'n bureaustoel. Hij zal nog even een wandeling doen in de mooie zomeravond.

Het plankier gaat hij langs naar de kop van het havenhoofd. Je ziet hier de dijk al groeien. Een breede grijze rug ligt boven zee en verliest zich in de schemer. Rondom liggen de baggermolens en transporteurs, in rust nu. Een lange rij zwarte kolossen tegen de vlammende westerhemel op het zilver-glanzend water.

De predikant draait zich om. In de haven liggen de schepen van de dijkwerkers dicht opeen. Uit het dorp komt het geluid van muziek aangewaaid. Het is druk en vroolijk in de café's. Uit de Willem Barendsz stroomt een zee van licht.

Daar staat een oude visscher op het hoofd. „Zoo, broeder Meun, ook aan de buitenkant."

„Ja, dominee."

„Drukte, hè," vervolgt de dominee met een knikje in de richting van de volle havens en van de muziek.

„Ja, och ja." Meun zegt het weinig opgewekt.

„Wat aan de hand, Meun?"

„Nee, dominee," zegt Meun.

Ds. Niekamp heeft het geval nu door. „Die dingen lijken je niet, hè," zegt hij met een glimlach, en hij wijst naar de baggermolens.

Meun wil het eerst nog niet weten. Maar dan komt hij ermee voor de draad, ,,'t Is nou gedaan met Urk, dominee. Daar heb je de gevolgen al." — Hij doelt op de dansmuziek. — „Zulks

hoorden we hier nooit Ja toch, eenmaal, in die strenge

winter. Toen was Urk ook geen eiland, die winter. En toen