is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rijksdaalders op de bolle pofbroek of een vracht rokken aan. Jongelui van de wal zwaaien een groet en werpen een knipoog naar de meisjes die water halen aan de pomp, met hun breikous in de hand staan buurten, of gearmd in een lange rij langs de haven gaan. En de Urkerinnetjes wuiven en lachen terug. Zij hebben nog nooit een groet onbeantwoord gelaten en tegenwoordig doen zij dat heelemaal niet, want de drukke aanraking met de menschen van de wal heeft de afstand tusschen Urker en vreemdeling doen krimpen, net als de afstand van de wal door de dijk gekrompen is. Straks, als de dijk voltooid is, zal die distantie geheel verdwenen zijn.

Men vindt het nu al niet zoo vreemd meer, als een Urker meisje aan de arm van een burger wandelt, en het gebeurt zelfs reeds dat een Urker in pofbroek, met het viltje op het hoofd, zijn arm doorsteekt bij de dochter van een walbaas of de dienstbode van een ingenieur.

Dit laatste is alevel een wonderlijk gezicht. Een Urksch hulletje en kraplap aan de zijde van een colbertje, daaraan is het eiland al gewend geraakt. Maar dat een meisje in een licht japonnetje, met krullen in de nek, aan de arm van een visscher hangt, dat is een vreemd tooneel.

Het werk loopt met de regelmaat van een klok.

Bij de afsluitdijk hebben de ingenieurs moeten vechten tegen de zee. Daar was het een worsteling met opwindende en soms dramatische momenten. Daar moesten de ingenieurs hun vernuft tot het uiterste spitsen; daar moesten de polderjongens hun spieren als kabels spannen; daar werd het allerzwaarste materieel in overdonderend kwantum in de strijd gestort. Daar streden menschen tegen machten, een strijd, die aanvankelijk