is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Naarmate zijn krachten slinken wordt het spookbeeld der droogmaking grooter en benauwender. De zee is weg. Een grauwe vlakte spreit zich rondom Urk. De kerkhoven van Ems en Emmeloord steken uit het slijk omhoog. Uit de verdronken graven klimmen witte wieven. En in grijze nachten zwermen zij naar Urk om ellende te brengen over het eiland. Meun wil die waanvoorstellingen verdrijven. Hij wil niet luisteren naar de stemmen, die hij hoort in slapelooze nachten, als de wind klagend door het steegje sluipt, of donker loeit in de toppen van de iepen rond de kerk, en als de uilen krassen. Een Christen mag niet op vogelgeschrei acht geven. Hij bidt den Heere of Hij deze zonde van hem weg wil nemen. En God geeft genade. Maar als het bijgeloof vliedt voor de kracht des Geestes, dan komen andere zorgen den zieke plagen.

Wat zal er worden van het Calvinisten-eiland?

Uit zijn bedstee hoort Meun de gesprekken van de jongens. Riekelt is alle dagen opgewekter, nu er geen gebrek meer in zijn woning is, en hij zijn dagen niet langer in ledigheid hoeft door te brengen.

Louwe bruist van geestdrift, nu zijn nering zijn stoutste verwachtingen ver overtreft, en de perspectieven è.1 wijder worden. Thans zijn er nog slechts de polderjongens en hun bazen. Wat zal dat worden als straks de heele polder vol met boerderijen staat en hij die boeren misschien tot zijn klanten rekenen mag. In een auto zal hij langs de nieuwe wegen rijden. „Da's anders, vader, dan aan het roer van een bottertje te staan!"

Meun geeft op zulk zeggen nooit veel antwoord. Ja, 't wordt