is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus!

De klok zingt.

De menschen zwijgen. Achter de baar gaat een lange, lange stoet. Meun was een stille op het eiland, een man van weinig woorden. Maar het dorp weet van hem, dat hij een Christen was. die nauw leefde met zijn God. Een man, die zijn eiland liefhad meer dan eenig ander het liefhebben kon. En het eert hem bij zijn uitvaart.

De dragers onder de baar zijn oud en grijs, gelijk Meun oud en grijs was. Zij dragen hun vriend uit, zooals Meun vele vrienden reeds mee uitgedragen heeft. Achter hen komt de familie, komen de buren en de vrienden, achter hen komt heel het dorp. De vrouwen hebben allen de geplisseerde, stijve rokken aan, die zij dragen bij belijdenis, bij bruiloft en bij rouw. Zij hebben het strooien hoedje met de rouwband opgezet en allen houden de hand aan de rand.

De stoet gaat langs de Berg. Hier heeft zij het uitzicht op zee. Op de zee, alom en alschoon en ondeelbaar, het eeuwige oerbeeld van God. Op deze zomerdag doet de zon de golfjes blikkeren en de witte zeilen van de botters blinken. Hier, bij de Berg, leeft Urk nog, zooals het eeuwen heeft geleefd. Hier is nog het eiland van Meun.

Maar achter de Berg is de polder. En bij de Staart gonst het gemaal. Volslagen droog is de polder nog niet. Uit geulen en voren stroomt het water nog op de gemalen toe. Maar de zee is reeds verdwenen. Achter de Berg strekt zich een grauwe vlakte uit, woest en ledig, gelijk de aarde in den beginne was. Op het kleine kerkhof, in de schaduw der Hervormde kerk,