is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Gekheid," zegt Riekelt. „Ik heb geen duit en vader heeft al z'n geld opgemaakt in de slechte jaren. Zulke schepen hebben alleen de lui, die regeeringsgeld gekregen hebben." Er is weer iets van de oude bitterheid in Riekelt's stem gekomen. „Als ik je nou eens aan zoo'n schip hielp."

Riekelt's oogen worden wijd. Zijn mond gaat open. Hierop weet hij niets te zeggen.

„U...." — komt er eindelijk uit, — „u.... mij daaraan helpen?.... hoe?"

„De schuit van de Taal's komt in de veiling. Ze zijn totaal aan de grond. Dik in 't krijt staan ze bij den oliekoopman, en ze hebben zoowat nooit rente betaald aan de Rijksdienst. Dat hing de groote man maar uit op andermanskosten. En nou had ik aan jou gedacht. Nee, nee — weert hij bij voorbaat hulde af — dat is niet alleen, omdat ik jou en je vrouw zulk aardig volk vind. Dat is ook om mijn eigen belang. Je vader en jij waren beste visschers. Ze hadden vaak de vlag. En ik heb wat los geld, dat ik ergens vast zetten moet.... Ik dacht zoo, als ik jou es in zoo'n spul zette. Dan weet ik, dat m'n centen goed belegd zijn, en ik denk, dat ik jou meteen een plezier er mee doe. Dat gaat dan aardig samen. Wat zeg je d'r van?" ,,'t Is te veel," is al wat Riekelt zeggen kan.

„Mond dicht, hoor! Er moeten geen strijkgeldjagers achter komen."

Meteen gaat Rijkholt, twee sprakelooze menschen achterlatend.

De groote zaal van de Willem Barendsz is propvol deze Zaterdagmorgen. Achter de tafel zitten drie commiezen. Eén leest de voorwaarden: