is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Louwe en Annechien aan hun gasten bereiden, is goed. Inplaats van anijsmelk en een brandewijntje, zooals vroeger, is er nu Malaga en advocaat. Inplaats van Urker moppen cadrille-gebak. De sigaren komen uit een luxe cederhouten kist, en ze zijn fijn, naar Riekelt constateert.

Een groote kroon sproeit overvloedig licht. Riekelt's gouden knoopen glanzen in dat licht; zijn roode baadje kleurt warm boven het zwart van zijn buis. Een stoere Geus, in dezelfde dracht als die der mannen van Lumey, zit daar temidden van een geciviliseerd gezelschap. Het licht schijnt ook op de gouden spelden, die in Mar's wangen kuiltjes drukken, op haar kraplap, op de gladde tule van haar rouwmuts. Niemand zal kunnen zeggen, dat de Urker dracht niet kleedt. Ze kleedt beter dan onze mode, die ziek is van het jagen naar verandering. In het oude dorp of in de kerk is confectiekleeding leelijk vergeleken bij het Geuzenpak.

Maar hier? Die kraplap en de bonte boezel, die Mar draagt? Ze passen bij een dienstbode in dit huis. Niet bij een gast in deze kamer.

Bij de mannen vlot het gesprek behoorlijk. De heeren willen graag hooren van de visscherij ginds op de Noordzee. En Riekelt vertelt, van het visschen en het varen, van de Hoek tot boven Ameland, en van het markten in de groote vischhallen te IJmuiden. Op zijn beurt is hij nieuwsgierig naar het werk in de polder, naar de vorderingen in de bouw der dorpen, naar de uitbreiding der zaken van zijn zwager.

Mar heeft het moeilijker. De dames praten over boeken. Zij heeft geen tijd voor boeken. Een visschersvrouw met vijf kleine kinderen, heeft wel wat anders om handen. En Ms zij