is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dek en lacht zijn wezenlooze lach; hij is blij op zijn manier. Mar staat achter de stuurkast, drie meisjes rond haar rokken; haar zesde kindje draagt ze op de arm.

Ze wuift naar het volk op de kade. Daar staan Post en z'n vrouw; daar zijn de broers en zusters en al de kennissen. Het halve eiland is uitgeloopen, nu alweer een Noordzeevisscher vertrekt. Het gerucht is door het dorp gegaan. „Riekelt van Jelle Post gaat weg, weet je het al?" Bij dat vertrek moest ieder tegenwoordig wezen.

Mar is bleek. Ze ziet de gebogen gestalten van de oude menschen. Het valt Post, nu het er op aan komt, toch niet mee zijn kinderen te laten gaan.... Mar zelf voelt ook hoe vast ze zit aan Urk.

De motor klopt; snel drijft de schroef de forsche kotter verder. De figuren op de kade loopen reeds ineen.

Aan de havenmond klinkt gejuich, hoog en helder. Een koppel kinderen doet hun vrindjes uitgeleide. Op het remmingswerk en in de lichtopstanden zijn ze geklommen. Ze joelen, en het grut op de botter joelt en lacht terug. In die vroolijkheid zakt Mar's triestheid voor een oogenblik weg.

De kotter trekt een witte schuimbaan rond het havenhoofd. Nu schuift Urk langs hen heen.

De wemeling der daken klimt op naar de Berg. Het breede dak der Gereformeerde kerk rust als een kloek op haar kiekens. Diepgroen is het zomerloof der boomen boven het dakenrood. De toren van het Hervormde kerkje spitst boven alles uit. Twaalf bronzen slagen galmen een afscheidsgroet. Mar staat roerloos bij de reeling. Riekelt komt naast haar, nadat hij zijn roer heeft vastgezet. Beiden staren ze naar Urk.