is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooverlantaarn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewogenheid der blaadjes over en het roerloos mozaiek van zon en schaduw, dat over het plein gespreid gelegen had als een glanzend en glad tapijt, was plotseling in heftige beroering. Het wagentje was in den verstilden droom van het plein gestort als een steen in het water en nu deinde de beweging in wijder en wijder kringen uit. Zonnespranken en schaduwvlekken gleden over den gladden rug van het paard en over de amberkleurige haren van den ruiter. Het was, of het plein uiteenspatte in een werveling van licht en donker, van zon en schaduw. En het zou niet zoo vreemd geweest zijn als uit de verstoorde rust van dit groen-gouden schemerlicht zich nieuwe sprookjesgestalten ontwikkeld hadden.

Het licht deinende wagentje reed tot voor de stoep van het stadhuis. De jongensachtige, prinselijke burgemeester steeg uit. Hij stroopte een leeren rijhandschoen af en streelde even gedachteloos den zachten neus van het paard. Nu hij niet meer in snelle vaart voorbijflitste, kon men zien, dat hij wel een prins was misschien, maar dan toch een betooverde. Van nabij was het fijne, blonde gezicht eigenaardig leeftijdloos. De contouren waren jong en onberoerd als van een knaap en het coloriet had iets zoo lichts en stralends, dat het bijna bovenaardsch aandeed of minstens prinselijk. Maar het scheen, of dit gezicht, zonder nochtans door het leven beroerd te zijn, bezig was te vergaan. Het verdorde. Misschien zou het weldra verpulveren. Tallooze zeer fijne groefjes doorvoorden het. Het leek van binnen dood. Misschien was het bij gebrek aan emotie, dat dit gezicht, gaaf en onaangetast van vorm en kleur, verdorren moest. Misschien had een booze toovenaar het afgesloten van het leven.