is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooverlantaarn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heen te dringen. Een enkele maal had hij iets gevoeld, dat men een begin van dagen zou kunnen noemen. Het was door hem heen gegaan, dat hij misschien niets minder snugger was dan al die anderen... dat daar ergens binnen in hem alle capaciteiten wel gereed lagen... dat alleen op zonderlinge wijze het contact ontbrak, waardoor ze in werking gesteld konden worden. Deze schemer van ücht... dit gevoel toch misschien wel te kunnen als... niet alleen te kunnen leeren, maar te kunnen leven... te kunnen meedoen... was snel weer verdoft. Het was weer dichtgeslibd tusschen hem en de wereld. Hij had nog slechts mechanisch de woorden afgedreund, die meneer van Rooien hem zoo moeizaam inpompte. Zoo dof, en domp, om zoo te zeggen onderaards had hij zich door die gymnasiumjaren heengewroet.

Het eenig levende, dat de enkele geïnteresseerde leeraren in den jongen ontdekken konden was een sterke zinnelijke gevoeligheid voor kleur en geur en klank, die zich evenwel hoofdzakelijk negatief, als afkeer, uitte. Als nerveuze afkeer van licht en zon... van het ostentatief bloeiend levende...; van den aardrijkskundeleraar, die zweethanden had, uit welke handen hij honds weigerde een cahier aan te pakken; als haat tegen al wat slecht gekleed, grof en lomp en burgerlijk was. Tegen een jongen met pukkels... tegen de kwabbig vette conciergevrouw...

Deze afkeeren, die hij zich geen moeite gaf te verbergen, eenvoudig omdat hij geen contact had met de omwereld en zich dus nimmer rekenschap gaf van andermans gevoelens, gaven hem een schijn van dédaigneuse hooghartigheid, die toch zijn medescholieren en zelfs verscheiden leeraren imponeerde. Met