is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooverlantaarn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den soms plotseling klokgelui opstijgen uit de diepte. Toen is hem dit alles op eenmaal zoo bekend en zoo vertrouwd geweest. Hij moest het al lang geweten hebben, dat dit bestond... een verzonken stad... een stad op den bodem van de zee, waar de klokken beierden... waar hij alleen door leege straten was gegaan, langs leege huizen met hooge stoepen en bonte gevelsteenen, voorstellende een schip met bolle zeilen of een vogel of een blinkende visch. Waar een licht hing als een compacte, zeer diepgroene schemering, dat hem veilig omhulde. Dat hem droeg bijna. Ja, als ontheven van alle zwaarte heeft hij zich door de groene straten van die verzonken stad voelen gaan met lichte voeten, die de aarde nog slechts spelend raakten. En in zich een groote en vredige rust, dat niemand komen kon. Dat hij alleen in deze verzonken stad was overgebleven. Dan was hij geweest als in een groote, groene schelp en buiten, achter dunne wanden, sloeg het ruischen van de zee en binnen beierden rein en liefelijk de klokken.

Er zijn dan later wel dagen gekomen, dat hij de verzonken stad op den bodem van de zee en de stad Heerenhaghen niet goed meer uit elkaar heeft kunnen houden. Hij heeft niet altijd meer geweten, wat het een en wat het ander was. Als het groene schemerlicht viel over het marktplein van Heerenhaghen, rlqn is het hem opeens wel geweest als in die droomen, waarin je diep valt. Dan heeft hij op eenmaal zijn verzonken stad herkend en toch is dan een vage, drukkende pijn hem bijgebleven niet heelemaal te kunnen naderen tot die diepste, groenschemerige vrede. Er is toch iets gebleven van hinder en onlust. ... een vaag gevoel van: misschien is het niet waar.

Op maanlichte nachten heeft hij gedwaald door het park