is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooverlantaarn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vallen wou... een boos en geprikkeld gebaar...: — Als ik de juffrouw was... als ik uit zoo'n groote stad kwam... dan zou ik hier niét willen wonen. —

Precies over ditzelfde onderwerp waren Floortjes peinzende gedachten gegaan: óf ze zou willen wonen binnen den tooverban van dit groen-schemerig Heerenhaghen.

Nu wendde ze bijna verschrokken haar hoofd terzij naar Miene en weer keken de vrouwen elkaar aan, langer en intenser dan die eerste maal bij het hek. — Wie ben jij? Ken ik jou? Ken jij mij? —

— Ik weet niet — zei Floortje dan vaag.

En op hetzelfde moment voelden ze gelijktijdig een vreemde aanwezigheid in de keuken en keken gelijktijdig om en zagen in de open deur „meester Menardie" staan.

Miene bloosde, een felle, heete blos, die haar zich snel deed afwenden en buigen over het fornuis.

En Floortje glipte, kinderlijk zich steunend op twee handen, van den stoel. En toen stond ze als een schoolmeisje voor den langen man en keek even op in zijn lichte oogen en dan snel weer neer... als schoolmeisjes doen.

— En u is dus... Floortje Désire, — zei hij. — Dat is een heel mooie naam, mijn kind. —

De vreemd teedere klank in zijn stem deed Miene nog eenmaal opzien en toen snel, als geslagen, met nog gloeiender blos zich weer over haar pannen buigen. Ze had het andere gezicht gezien, den meester, zooals hij alleen naar zijn bloemen kijken kon, nu glimlachend over het gebogen hoofdje heen van Floortje Désire, die een mensch was... een vrouw... als zij?