is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooverlantaarn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haghensche burgermeisjes, zoo laat nog op straat te komen, nu de schemering welhaast verdicht tot duister? Hoe durven ze het bestaan zoo ongeneerd joelend, in lange rissen, te flaneeren langs 'sHeeren wegen, die tevens Heerenhaghensche wegen zijn? En deze jongens, die hen achtervolgen? Met dubbelzinnige woorden... met plotselinge handtastelijkheden. Waarom kunnen ze vanavond niet koel en bits hen afweren als andere avonden? Waarom komt een warmte in hun oogen... een belofte... een begeeren, sterker dan alle aangeleerd fatsoen?

Ach, de linden bloeien. De linden geuren zoo zoet. Ze geuren maar eenmaal in het jaar zóó zoet. En morgen, dan is het immers kermis? De meisjes gillen en joelen en er zijn er, die nu al zich afscheiden van de vriendinnenris... die een partner gevonden hebben, met wien ze wegdwalen langs de donkere, belooverde vestingwallen. O, er zijn veel paartjes dezen avond, die eensgezind wegdwalen de duisternis in, vast omstrengeld. En niet eens altijd heeft het meisje er zorg voor gedragen, dat ze met een netten jongen gaat, die wat stand en fortuin betreft bij haar past en met wien ze later, als het eens noodig mocht zijn, in eer en deugd kan trouwen. Men is zoo zorgeloos dezen avond en zoo wild. Maar eenmaal in het jaar bloeien de ünden en er komt maar eenmaal een avond, die de vooravond van de kermis is.

En door deze zoetheid van lindengeur gaat Floortje en om haar is het donker zoemen van de levensdrift als het zware gonzen van een groot gevleugeld beest, dat nog geen uitweg vond. En ze zou wel aan willen haken bij zoo'n lange meisjesris. Ze is immers jong zooals zij en ook in haar ligt dat zware ver-