is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooverlantaarn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de wijde wereld. Dat is wel veel toch. Dat is misschien genoeg.

Ze weet nu wel, dat het niet zou kunnen, maar ze ziet toch met het heimwee van haar jeugd en haar hevig, nog ongericht begeeren naar dezen man op den bok met de zwarte oogen en de donkere huidskleur... naar deze kinderen met wilde haren en bloote voeten... naar dat breed-donker vrouwengezicht, apathisch en sensueel. Ze zijn als dieren, denkt ze. Ik wou wel, dat ik zoo kon zijn. Het lijkt niet zoo ver van me af te liggen... veel minder ver dan opa en oma Gravestein. Misschien dat de vader van mijn vader...

Ze ziet het hitje en de bengelende lantaarn en het geel overschenen, rommelig en toch niet ongezellig woonwageninterieur als dingen vaag bekend.

En nu ze in het zog van dezen woonwagen meedraait het stadje in, nu is Heerenhaghen plotseling ook in haar gevoel niet anders dan een stukje wijde wereld. Het is op eenmaal ingeschakeld in een veel wijder plan. God, wat is dat dan nog, een stukje wijde wereld, waar het morgen kermis zal zijn?

In de beslotenheid van het marktplein hangt de lindengeur heel zwaar en hevig en het is, of uit deze oververzadiging van geur... materialisatie van een koortsvisioen... de kermis opdoemt. Daar staan de donkere contouren der spullen... daar bengelen, geel in de duisternis, lantaarns. Daar loopen kinderen rond en honden en vreemd kleurige menschen aan wie het glinstert van oorbellen en haarkammen en oogenwit en helle tanden. Daar groept de blonde Heerenhaghensche jeugd te zamen, door welke eenmaal in het jaar als een vreemde ziekte... een roes, waarvan men later niet meer weet of weten wil... een donkere hartstocht vaart.