is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooverlantaarn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En Floortje ziet het aan, de kermis, die wordt opgebouwd. En het is al een in haar gevoel: de kermis, de lindengeur, de donkere vreemdheid der woonwagenmenschen, die over de wijde wereld zwerven en haar eigen verlangen naar een werkelijkheid, die de onduldbaar hevige levensgolving stillen zal. Het is, of zij, Floortje, ook de zwoelheid van lindengeur is... het extatisch bloeien... en de donkere kermis op het punt van uitlaaien ... en de vreemde menschen, voor wie de stad Heerenhaghen maar een stukje wijde wereld is. Ze voelt zich zoo open, zoo wereldwijd en bloeiend, zoo onbegrensd en mateloos. En ze vindt het vreemd te moeten binnengaan in een huis.

Het huis, waar ze voortaan wonen zal, is een van die kleiner en burgerlijker huisjes, die schuchter en tegelijk een beetje brutaal tusschen de statige heerenhuizen naar voren dringen, of ze er nooit heelemaal zeker van geworden zijn, dat ze morgenochtend niet smadelijk zullen worden weggejaagd. Het is het huis van bakker Sevryn. De winkeldeur klept open en weer dicht met een traag klepelend gebel en Floortje die nu binnen staat, voelt zich in de afgeslotenheid van dit huis weer slinken tot iets kleins en zeer beperkts, een mensch, een ik, een ding, dat zich in huizen vangen laat.

Maar in de kamer boven reiken de bloeiende lindetakken bijna naar binnen. Floortje kan met haar hand de bleekgouden bloembellen beroeren, die geur inplaats van klank zingen. Het is of deze lage, donker gemeubelde kamer zich heeft prijs gegeven aan den nacht. Zoetjes sluipt de nacht naar binnen. En de nacht, dat is geur en wijdheid en het gerucht van kermis,