is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooverlantaarn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de beenen onder zich opgetrokken, knabbelend van Billemans nougat. Ze wil geen licht opsteken. Het is, of in het licht die vaag pijnende weemoed, om wat gevonden en meteen verloren is, zich zal verscherpen tot reëel verdriet.

De rosse gloor van de kermis verlicht flitsend en ongestadig als vlammen van een vuur de kamer. Ze eet nougat, die taai en zoet is en telkens knabbelen haar felle tandjes een amandel. Zoo blijft de pijn wel draaglijk. Zoo hoeft ze niet te huilen. En de matgouden bellen van den lindebloesem, die ze met haar hand beroeren kan, zingen van eeuwig verlangen en eeuwig ontberen... van gevonden worden om meteen weer verloren te gaan... zingen hun lied, dat lieflijk en wijd en treurig en zoet ver boven de kermis uitstijgt... zingen hun lied van leven.

En Floortje, die daar zit in haar lagen stoel, zich koesterend om zichzelf als een poes — jammer toch dat ze niet een lange, donzen staart heeft, die ze om zich heen kan leggen — Floortje, die daar zit, jong en warm en verlangend en treurig, beseft niet, dat ze nougat eten moet, om het leven te verzachten, dat zelfs haar, levensbegeerige, een oogenblik te fel en pijnlijk was.