is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooverlantaarn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loozen drank naar den mond te brengen. In het diffuse groene licht, dat later op den avond, als de lampen waren opgestoken, overging in een grauwomfloersten, gelen gloor zat hij als een zwaar en onverwrikbaar brok melancholie. In het groote, verleefde, grauwe gezicht stonden de lichte oogen bevreemd en triest. Zoo was het leven. Zoo gingen de dagen. Er waren overdag de kinderen en er was 's avonds de drank. Zoo was dat en er bestond geen mogelijkheid dat het ooit anders zou zijn.

Meester Winter wist dat. Jaren en jaren geleden had hij op een avond met absolute zekerheid geweten, dat hij een van de twee moest doen: drinken of zich ophangen. Toen was hij maar gaan drinken. Zijn zachte, timide aard schrok terug voor de gewelddadigheid van ophangen.

Hij had niet dadelijk dat obscure kroegje van Frerik Nooitgedacht gezocht. Eerst had hij nog wel in „Het Hof" gezeten, later in „De Blauwe Engel". Meer en meer was het gezelschap van anderen... was licht en luidruchtigheid hem ondraaglijk geworden. Hij wenschte nu nog maar zoo roerloos en woordeloos daar te zitten en dat het glas voor hem vanzelf weer gevuld zou worden. De drank gaf hem die dofheid, die als een diffuse, groene schemer van het bewustzijn was. Hij dacht dan niet meer... hij wist niets meer duidelijk. Hij zat daar maar, een traag, dof, zwaar brok melancholie.

Vroeger had men zich wel om hem bemoeid. Zijn vrouw had de heftigste scènes gemaakt... de dominee had geprobeerd hem te „redden"... zelfs Menardie, die zoo goed als nooit zich inliet met menschen, had met hem gesproken. Dat had hem toen wel even ontroerd en hij beschouwde nog altijd Menardie als een vriend, hoewel ze zelden een woord wissel-