is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooverlantaarn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om. En op een keer had Floortje gevraagd: Leer het mij toch. Ik wil het zoo erg graag leeren. —

Vrouw Sevryn had bezwaren gemaakt. — Waarom, als de juffer dan viool wou leeren spelen, niet van den muziekmeester, dien iedereen in de stad nam ? Dat was een knappe, fatsoenlijke man. Zij — vrouw Sevryn — had niet graag een dronkenlap in haar huis. —

De muziekmeester, had Floortje gezegd, was een prul. Maar meester Winter, dat was een heusche artist... een kunstenaar. —

Ook deze uitspraak resonneerde door Heerenhaghen. Tenslotte sprong Fenne, die toch ook eenmaal eerste klas was geweest, voor meester Winter in de bres. — Hij was toch een goede man. Hij dronk... nou ja. Maar je merkte nooit iets aan hem. Ieder mensch had zoo zijn zwakheden. —

En zoo kwam meester Winter dan tweemaal in de week schuw in de schemering de trap naar Floortjes kamer opgeklommen, altijd hopend vrouw Sevryn te ontgaan en nooit daarin slagend, want vrouw Sevryn stond deze avonden expres in den winkel op post, om te controleeren of meester Winter niet „onbekwaam" was.

Als hij de deur van Floortjes kamer achter zich gesloten had, voelde hij zich veilig. Zij stond als hij vijandig tegenover de booze wereld, maar zij had de kracht, die hem altijd ontbroken had, zich ertegen te weren. Het zou b.v. niet kunnen, dat Coba binnenkwam in deze kamer. Zij zou dat beletten.

Ze was een ijverige en talentvolle leerlinge en hij een toegewijd leermeester. Ze waren vredig en vertrouwd te zamen in deze kamer als groote kinderen, die zoet en overgegeven spelen.