is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooverlantaarn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren droom en aarde zoodanig gemengd, dat ze kon denken eerst, dat dit nu „alles" was.

In de tweede helft van Augustus, als de vacantie voorbij is, wordt nu allengs de groenheid van het zomerlandschap doorschoten van geel. Nu hier, dan daar ziet men het komen... dit geel, dat een vermoeidheid is... een eerste verval. Het is niet het rosse, goudene, dat in den laten herfst nog eenmaal vlammend op zal laaien. Dit geel is mat en bleek en zeer gelaten. Zoetjes aan voltrekt zich in de kruinen van de lindeboomen het verkleuren. Eerst is er één geel blad, dan zijn er enkele, dan zijn er meer, dan zijn er vele. En als een windzucht door deze dorrende bladeren strijkt, klinkt hun fluisteren brosser en geëmotionneerder dan het weeke zomerruischen. En dan, trantelend en onbesloten of het al eender was, stijgen of dalen, leven of sterven, bloeien of vergaan, waren de gele bladeren door de lucht. Omhoog ? Omlaag ? Ze schijnen het niet te weten. Het lijkt toeval, als ze tenslotte zich neerleggen op den grond.

Nu is ook in het glad tapijt van verglijdende zon- en schaduwvlekken de gele spikkeling gekomen. Nu strijkt het geel als een matte vleugelslag over de weiden en langs de zoomen van het bosch. Het is er niet als iets afzonderlijk aanwijsbaars. Het laat alleen een algemeenen indruk van dorren en verwelken na.

Van de akkers is eerst het helle goud van de rogge verdwenen en daarna het meer rosse van de haver. Het landschap, als een ouder wordend gezicht, toont plotseling zijn structuur. Het vloeiend-welvende, volzomersche maakt plaats voor een scherper, kantiger belijning.