is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooverlantaarn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft ze Rudolfs hand gegrepen en leunt ze haar warrig hoofdje tegen Rudolfs borst. Hij is niet „Rudolf". Hij is op dat oogenblik alleen maar „iemand."

Hem is deze nabije beroering van „al 's werelds lieflijkheid" een zoete, verwarrende extase. Als men nu sterven kon! Ach, als men zoo nu samen sterven kon!

— Stil maar, Floortje, — zegt hij moeilijk, bijna schreiend om haar verdriet en zijn machteloosheid.

— Maar ik wil juist niét stil zijn, — verweert ze zich, even heftig. — O Rudolf, het maakt me zoo treurig. Het is of de wereld dood gaat... zoo zachtjes... zoo glimlachend... zoo... stil. Dat is het juist. Ik vind dat zoo akelig. Dan is het... of ik... ook dood zal gaan. —

Ze zijn gaan zitten op de bank onder den kastanjeboom. Hij streelt zachtjes haar warrige haren en maakt een geel blad los uit de omstrengeling van een krul.

— Waarom zou je dood gaan, Floortje? —

— Niet nu, maar eenmaal. —

Zijn smal, zwak knapengezicht ziet met bleeke oogen bijna ontsteld op haar neer.

— Maar Floortje, wou je dan... zou je dan altijd leven willen? —

— O ja, ik wil altijd leven. Ik zou altijd leven willen. —

— Altijd... nu is er toch ook iets, dat jij altijd zou willen, Floortje... leven. —

Hij zegt het stil, gelaten-verwonderd. Er is iets in den toon van zijn stem, dat haar herinnert aan het vallen van de gele bladeren. Ze snikt plotseling kinderlijk heftig op en bergt het hoofdje weer tegen zijn borst, onder de ruige bescherming van