is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooverlantaarn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar Floortje voelt het als een verluchting, dat nu de booze vernielzucht van den storm over de aarde raast. Ach, dit is tenminste een kracht, waartegen je je schrap kunt zetten. Dit is een aanval, waartegen je je weren kunt. Je kunt op dezen Zondagmiddag, dat de storm door Heerenhaghen vaart, je cape omslaan en je muts diep over je krullen trekken en je kaplaarzen aandoen en zoo gewapend kun je den boozen wind tegemoet treden. Je kunt je sterk en levend voelen... meedoogenloos levend en dit is de verlichting, dat die vreemde zwaarte van mededoogen, die de weerloos broze herfstwereld je onwillens opdrong, van je is afgevallen.

— Booze wind, ik ben niet bang! —

Terwijl de koude regen haar in het gezicht striemt en de wind rukt en trekt aan haar flapperende cape, slaan in haar deze woorden een hellen jubelslag. Ze stuwen haar voort door den storm. Door de stad, waar beangste bladerhorden ijlend voort jachten. Door de hooge lindenlaan, die kreunend buigt voor den geweldenaar en zijn laatste gele bladeren prijsgeeft.

— Booze wind, ik ben niet bang! —

Op het rhythme van deze woorden laat ze den zwaren klopper vallen op de ijzerbeslagen deur van het kasteel. En als bij tooverslag wijkt deze deur. Ach nee, het is Rudolf maar, die haar heeft zien aankomen Toch...

— Booze wind, ik ben niet bang! —

Op denzelfden maatslag trekt ze Rudolf mee in wilden galop door den wijden marmeren hall.

— Pas op Rudolf, ga niet naar buiten. De booze wind zou je grijpen. —

— En jij Floortje? Je hebt allemaal kleine regendruppels