is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooverlantaarn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ken kop. — Nee nee mijn kind. Daarvoor ben ik te oud en... —

— Waarom ben je nou te oud? Ik vind je niet te oud. En niemand kan spelen zooals jij... —

— En... ik kan hier immers ook niet weg, Coba... —

— Wat kan Coba je nou schelen? Die laat je gewoon in den steek. Alles kan. —

— Nee, nee, nee Floortje — zei meester Winter, met lichte oogen starend ver over haar heen naar de wazige contouren van een sinds lang uit het gezicht verloren kust, — nee, nee Floortje. Dat kan niet meer. Ik kan hier niet meer weg. Ik kan hier nooit meer weg. —

Floortje ging er niet op door. Als het zoover was, dan zou zij dat wel in orde brengen... korte metten maken met Coba en... Alles kon.

Ze wist trouwens heelemaal niet zeker, óf ze een danseres zou willen zijn. Dansen zou ze graag willen, maar het perspectief van optreden in een zaal, avond aan avond voor veel menschen benauwde haar. Als je dansen kon als de konijntjes op een groene wei...

Rudolf hoorde, krimpend in een woordeloozen, onoverzienbaren angst zulke gesprekken aan. Floortje,die weg zou willen... En hij ?...

Meester Winters trage, doffe stem sprak zoo nu en dan een enkel woord tot hem.

— Zoo zoo mejongen en hoe gaat het? —

Hij dacht soms wel, als hij luisterde naar de muziek, dat meester Winter den droom van de verzonken stad beter zou kunnen begrijpen dan Floortje. Toch durfde hij er nooit van spreken. En Floortje was het toch van wie hij houden moest.