is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooverlantaarn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de kilte van deze bleeke wintermaanden kwam het Floortje soms wel voor, of de begeerlijkheden van het leven hun lokkenden glans verloren hadden. Wat wilde ze eigenlijk graag? Dansen... maar niet een danseres worden. Liefde... maar niet wat in de wereld om haar heen onder liefde werd verstaan. Het kon soms lijken of de menschen het leven bedorven hadden. In den winter kon dat soms zoo lijken.

Den bruinen jongen van de kermis met de lange oogen ? Aan hem dacht ze dikwijls met iets van heimwee en hunkering. Ze keerde zich tot die herinnering als tot een vlam, die koesterde en je warm doorgloeide. Waar was hij heengetrokken? Zou ze hem ooit terugzien?

Als in deze dagen meester Menardie naar haar keek, omfloerste een verteedering zijn sterke, lichte oogen. Hij had haar den heelen zomer niet gezocht en maar zelden met haar gesproken. Hij was 60 jaar en niet waanzinnig. Miene kon gerust zijn.

Nu, nu een matheid haar levenslust dempte, zei hij: — Niet te lang in Heerenhaghen blijven zitten, Floortje mijn kind. Dat is gevaarlijk. — Een enkele maal zat Floortje wel bij Miene in de keuken met den rooden tegelvloer en de roode pelargoniums in de vensterbank. In Miene bleven genegenheid en jalousie een strijd voeren. Deze was haar meer verwant dan alle anderen, maar daarom tegelijk een gevaarlijker rivale.

Soms zei ze gul: — Kom d'r in juffer. Je ziet er zoo kleums uit. Kom een kopje warme koffie drinken. —

Maar toen meester Menardie een jongen uit de hoogste klas met een kruiwagen, waarin zes bekroonde, roseroode pelargoniums, die den naam „Floortje Désire" droegen, naar Sevryn stuurde... toen hij aan haar... aan de andere... deze kinderen