is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooverlantaarn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wilt wachten en je niet eerst verloven. Waarom zou een man dan nog... —

Het was Martien Fennema, die dit zei, een spits, oudachtig meisje, dat al 7 jaar wachtte tot haar verloofde zooveel zou verdienen, dat ze trouwen konden en ze besefte zelf niet, hoe ontdaan van alle poëzie ze hier het maatschappelijk nut van „verloven" blootlegde.

— Mannen genoeg hoor. Waarom zou je er ook eigenlijk mee trouwen? —

Floortje zei het met een achteloozen ruk van haar schouders. Ze keerde zich af van den kring en keek uit in de stille straat, waar de lantaarns brandden. Ze was niet van plan geweest zooiets te zeggen. Enfin, het kon haar ook niet schelen. Ze dacht aan den jongen van de kermis. Even was het, of de sterke zoetheid van lindengeur weer bedwelmend over haar heen sloeg. Trouwen... wat een onzin eigenlijk! Wie dacht, als het over je kwam... het vreemde, vervoerende „hét", dat je dreef naar een man... aan trouwen... over zoo en zooveel jaar misschien.

De anderen, alle onderling geharrewar vergeten, hielden instinctief te zamen tegen deze eene vreemde. Hoe angstig moest het leven worden, als men buiten de vastgestelde figuren van die menuet wou treden, die iedereen altijd zoo gedanst had. Wat bood het dan een kwade kansen! En zij, die wel de vermetelheid had zich te wagen in dat ongewisse! Om zichzelf niet te verachten, moesten ze het haar wel doen.

Het ijs bracht korten tijd in het enge wereldje van kleine, in den winter verstarde provinciestad iets van verruiming. Buiten de wallen en muren strekten zich de blanke ijsbanen.