is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooverlantaarn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De uiterwaarden langs de rivier waren ondergeloopen en dichtgevroren. Als kleine, zwarte, ongewichtige wezentjes zwermden de menschen uit in de lichte winterwereld. Floortje ademde bevrijd op. Ze droeg een blauw rokje en een witte, ruige trui. Het weeke bruin van haar oogen verdiepte zich tot een donkerder nuance, waar als een vlam die roode gloed doorheen sloeg. Haar mond met de volle, roode, als geschminkte lippen sprong in een glimlach open en toonde de kleine, gelijke, niet heelemaal aangesloten tanden. Onder het witte mutsje uit dansten de krullen.

Ze schudde alle aanbidders af. Dit... dit was de vreugde... zoo te rijden alleen.

Maar op het ijs was meester Menardie dé man. Daar vielen als bij tooverslag tientallen jaren van hem af. Hij zestig jaar! Waanzin! Hij reed in een blauwe schipperstrui, een hoog, ouderwetsch model bontmuts op de zilvergrijze haren, waartegen zijn gebronsd gezicht met den feilen haviksneus sterk en jong afstak. Hij reed op wit-linnen gymnastiekschoenen en de schaatsen bond hij zoo losjes onder, dat ze klapperden onder zijn voet. Hij reed met de rechte, pijlsnelle, onsierlijke streek van de Friesche hardrijders.

En daar voelde Floortje zich gegrepen in den rug en opgestuwd tot deze sneller vaart.

— Floortje, mijn kind, we gaan de wereld achter ons laten. —

Een vreemde tinteling trok door haar heen ... een vreemde voldoening, dat het zoo goed was. Zoo wenschte ze meegenomen te worden in ijlende vaart, waarbij de wereld... de menschen... het aldagelijksche... achter moest blijven.

Nu was er niets meer dan de wijde, blanke verlatenheid der