is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooverlantaarn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

winterlanden, waar een roode gloed van ondergaande zon overheen kwam schijnen. Een vreemde bezieling... een vreemde, kortstondige, felle begeerte. En Sjoerd Menardie keerde met een ruk het ranke meisjesfiguurtje naar zich toe, zoodat het kleine gezicht met de rooddoorgloeide oogen en den rooden, openspringenden mond opzag naar hem.

Eén kort zwevend moment stonden ze zoo tegenover elkaar. Toen sloten zijn armen zich om haar heen en hij kuste fel, ruw bijna, dien rooden, lokkenden mond. En ze liet zich kussen. .. week... meegevend. Zoo moest het immers komen... hét. Om hen lagen de winterlanden wijd en over hun koude verlatenheid gloeide even de roode schijn van de ondergaande zon.

— Zoo —, zei meester Menardie, — Floortje mijn kind, daar zul je niet van bederven. —

Ze gaf geen antwoord. Ze glimlachte, verward en bewogen.

Hij nam haar handjes in de wollen handschoenen in zijn groote, gebruinde handen, die, hoewel onbeschut, koesterend warm aanvoelden. En zoo reden ze zwijgend terug naar de wereld.

De volgende dagen zagen haar oogen hem aan, vragend... verwachtend. Maar hij glimlachte enkel en naderde haar niet weer. Hij was toch tenslotte zestig jaar en... Miene kon helaas gerust zijn.