is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooverlantaarn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

af in de oude is teruggegleden. Even roert haar de wiekslag van een eeuwigheidsverlangen. Is dan aan den overkant niet een „altijd", dat „alles" vervullen zal?

Maar ze is te zeer het leven zelf, om over dit leven lang na te denken. Ze glijdt glimlachend weg van Heerenhaghen een zonnig heuvelland van gouden beloften tegemoet. Beloften van zee en zon en zand... een maand lang wel. En dan... misschien zal ze met een rijken man trouwen. Maar hij moet aardig zijn. Of... ze zal werkelijk goed dansen leeren. Of... ze zal mannequin worden in een groote modezaak. Of... duizend mogelijkheden voor een Floortje Désire.

Zoo glijdt ze weg, glimlachend, onberoerd, zonder wreedheid, maar ook zonder mededoogen... het bloeiende leven zelf.

Zij kan geen schuld op zich nemen voor wat achterblijft. Zij kan zich niet bekommeren om een geschandvlekten dronken Billeman; om een Fenne Sevryn, langs wier zuiver belijnde wangen de groote tranen biggelen, als ze dat briefje leest — Ik ga weg voorgoed. — Ze kan zich niet belasten met de doffe uitzichtsloosheid van meester Winters leven en de slagschaduw van Sjoerd Menardie's beheerschten weemoed, om wat nooit geweest is, valt langs haar heen. En Rudolf ? Aan hem moet ze toch wel even denken... aan die angstig gesperde oogen in den nacht. Maar kan zij het helpen, als hij het leven zoo weinig verstaat, dat hij er stabiliteit van verlangt, waar het niet anders is dan koel en vlietend verdergaan?

Ze weet het niet, dat op dit moment de poort van de verzonken stad... de eeuwig groene... voor Rudolf opengaat. Ze weet niet, hoe het treintje, dat haar wegvoert een glanzend morgen tegemoet, hém deze poort ontsluit.