is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooverlantaarn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In den maannacht is Rudolf rond blijven dwalen. Hij heeft geweten, dat Floortje voor hem verloren was. En wat nu? Hij kón niet alleen de booze wereld tegemoet treden, nu de isolatie van koele hooghartigheid het begeven had. Hij moest weg zijn voor de morgen kwam. Hij moest het hol vinden, waarin hij zich verschuilen kon... de stille verzonken stad met de leege huizen, waar niemand komen kon dan hij. Langs de effen, zilverglanzende vijvers is hij gedwaald. Het is altijd geweest, of hij den toegang tot de verzonken stad in het water zoeken moest. Maar als hij dan aan den rand van het water stond, dan heeft hij altijd weer heel goed geweten, dat hij enkel maar verdrinken zou, als hij daarin ging. En hij wil niet verdrinken. Hij heeft zelfs een nerveuzen afkeer van koud water.

Hoe dan een toegang te vinden tot de schemerig-groene vrede van de verzonken stad?

Struikelend van moeheid is hij in den grauwen ochtend langs de rivier gegaan. Maar ook hier, waar het water vlietend verder stroomde, heeft hij niet kunnen vergeten, dat het water was, waarin je verdrinken moest, als je je eraan overgaf.

Maar hoe dan? Waar was dan uitkomst? Straks kwam de morgen. De menschen zouden op hem afkomen. Door de scheuren van zijn isolatie heen zouden ze „hem" zien. O, en het zou zijn als dien middag in den ouden vleugel, toen Billeman verscheen in de open deur en in hun wonderwereld keek. Een onduldbare pijn en beschaming... een machtelooze ellende. O deze kwelling het een niet te kunnen en het ander niet te durven!

Zich in zijn afmatting nauwelijks meer bewust, waar hij