is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem sollen wilde, en had daar niets op tegen. Hij was nog volstrekt niet te groot voor haar schoot en paste juist in haar armen. Hij vond het hier wèl zoo prettig als achter de theestoof; hij luisterde nu ook niet langer naar Na. Zoo zacht als fluweel waren thans Wijnanda’s zwarte oogen; daarmee at zij hem haast op en zij streelde langzaam, langzaam, zijn donkere bolletje. „Nou moet je „lieve Wijntje" tegen me zeggen," fleemde zij, „en dan zeg ik: „lieve Jopie.” Zij fluisterde: „Luister es aan je oortje...” en ze blies daarin aardige woordjes en grapjes, zoodat het kind lachte. Zij verzon telkens wat anders met hem. Boven de klanken van de boetbazuin uit speelde zij een dartel wijsje: „Jootje, Jootje, Jootje Praet, is mijn lieve jongen." En toen zij geen woordje, of deuntje, of spelletje meer wist, begon zij hem te kussen. Op zijn breed voorhoofd, vlak langs de inplanting van zijn haar, kuste zij hem of zij kralen telde; in den zwakken boog van slaap tot slaap zette zij kusje naast kusje, als kuste zij een rozenkrans.

Maar Na ging dat vervelen; zij keerde zich om en zeide: „Schei uit met dat gevrij en zet die jongen van je schoot af."

„Zoo aanstonds,” antwoordde Wijnanda kalm, maar zij staakte toch het kirren. En Magdalena Praet, die geen aanmerking had durven maken, stuurde Joris nu dadelijk naar bed. „Geef me dan nog één nachtzoentje," vleide Wijntje, „en kom je eens bij me op 't eiland?" Nog snel blies zij hem iets in, beloften, zoet en vervoerend... En het jongetje zeide: „Nacht, Wijntje," en kuste haar zachte wang.

Als mijnheer Grauwenhingst in de Putterstraat vernam dat Na Komijn weer op bezoek bij zijn zwager was, ging hij om half negen er heen om te maken, dat zij het veer van kwart haalde. Want miste zij dit, dan kwam zij niet weg; ze bleef overnachten bij geestverwanten in de stad en plakte tot tien uur bij Praet. Gabriël Grauwenhingst schelde niet aan op de straat, doch liep de steeg in naar de knechtsdeur, drukte die open, ging de trap voor het personeel op naar de eerste bovengang en stond eensklaps in de koepelkamer, in 't leeg en schemerig stuk even over den drempel.