is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewoond; Meylof Visser was er gemeentesecretaris en zou er vroeg of laat burgemeester worden, maar vroeg nam de dood hem mee. — Een klein uur gaans ligt Harpen van de stad, en bijna dagelijks had Anna den boschrijken weg afgeloopen om een tijdje op de Putterstraat te zijn. „Ik mag 't van Jo niet aannemen," zeide Anna, „maar ik had mijn geluk terug."

Doch Joris Praet gaf vrijwillig zijn zuster wat zij niet nemen durfde. „Het kan,” zeide Joris, „nu Josine is uitgekocht. Zelf wil ik niet anders, en samen houden wij 't huis."

Toen spraken de broeder en zuster er niet meer over, want de zaak van het huis was te diep voor woorden. Anna had eerst gedacht: „Als ik er boven één kamer in huren kon, voor mij en Phaantje, dat mijn adres nog in de Putterstraat was.” En zie, daar kreeg zij 't heele huis weerom. —

In de jaren van Harpen had Anna steeds droomen gehad, dat zij weer op de Putterstraat woonde. Er waren dan kamers geweest aan de blinde zijde van een bovengang. Die gang was werkelijkheid en de kamers waren droom. Zij mocht daar wonen, doch zij wist, dat 't maar voor kort meer zou zijn, en er was ook altijd iets dat haar wegtrok; bij 't wakker worden begreep zij later, dat dit haar gezin en haar eigen huis in Harpen was. Als zij den dag daarop weer thuis kwam, moest zij die bovengang eens overloopen; de kamers leken toch stellig achter den langen, lagen, gekalkten wand te liggen, doch alleen 's nachts kon men er bij. — Toen zij, weduwe geworden, weg was uit Harpen, hielden de droomen op.

— Het huis had geen tuin, alleen een binnenplaats, maar die was zoo ruim dat de zon een poosje van den dag er scheen, op 't koper van de hooge pomp. Langer viel de zon daar boven door de vensters op ’t oude witte marmer van de gang, en trok een vaal vlak in 't licht van den looper, welke daar al wel vijftig jaar lag. De gang helde een weinig, zij lag zeker een duim of wat hooger onder 't raam aan de Botermarkt. Reeds lang hing ’t huis over naar de Putterstraat; als men bij de koepelkamer een schoteltje water zette, was ’t duidelijk te zien en Willem Praet had dat al