is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PANACHES EN HARNACHEMENTEN

De winter was een hard seizoen, doch met de eerste mooie dagen leek het, of erfgenamen van een tijdelijk verzegelden boedel de voorwerpen van kunst en smaak, de eergeschenken en memorialen waarvan in 't geslacht de mare was gegaan, voor den dag haalden en oppoetsten. Vroeg reeds begon Anna Visser over den schoonmaak te spreken. „Er is zooveel,” zeide zij, „en wij hebben weinig handen; we moeten bijtijds beginnen, anders is 't zomer, voor we eens uitgaan kunnen." Anna vond overigens die schoonmaak verre van onaangenaam. Zij placht in den loop van 't jaar haar memorie een weinig ter hulp te komen om te vergeten, wat zij had. En dan was de verrassing groot bij het weerzien.

Eerst kwamen de kisten op zolder aan de beurt. Daarin lagen dingen, welke zeker maar zelden in een particulier huis worden aangetroffen. Stukken goudleer, welke eens tot behangsel gediend hadden, verdroogd en met brokkelige randen; de laatste restjes sleetsche zijdestof van salonstoelen. De saaien gordijnen van grootpapa Meylofs echtelijke koets en een ouderwetsch schellekoord, eenmaal gewerkt voor een historische gouden bruiloft, met een rafeligen groenen rug achter bloemmotieven van onverwelkbare kraaltjes. En een machtige, heraldisch lachende beddeleeuw. Voor één lentedag kwam alles te voorschijn, gelijk der wereld verstorvene heremieten, die nog ééns per jaar op ’t hoogste feest te voorschijn komen uit hun kluis. Alles werd behoedzaam uit de vouwen gelegd op de planken, onder een tochtend raam. — En daarna traden aan uit de kasten van den overloop de oude costuums, een processie van donkere, ruime, zedige japonnen, en van manskleeren, uit duurzaam en kostelijk laken vervaardigd, dat toen, zoo 't scheen, altijd nog op den groei gesneden werd,