is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stond zij ineens, zonder portaal of voorhuis, in een kale kamer, 't Was niet zoo dadelijk te zeggen, waar deze voor dienen moest; een kantoor was ’t niet en ook geen woonkamer. Een spreekkamer misschien, zoowel uit de zaak als uit het woonhuis in de Putterstraat te bereiken. Doch Stephanie kreeg niet lang tijd om alles in zich op te nemen, want de brouwersvrouw trok haar naast zich op een ouderwetsche canapé, welke tegen den binnenmuur stond.

„Stephanie," zeide zij, „mij ken je niet zoo goed, maar ik jou wel. Ik heb al zoo lang gewacht en naar je uitgezien, maar je was altijd nog te klein. Ik ben je tante Josine."

Stephanie was op den leeftijd, dat den mensch dagelijks wonderen wedervaren; bovendien groeide zij op onder eigenaardige omstandigheden. In haar eigen huis deed zij steeds nieuwe ontdekkingen en datgene, wat haar oom haar van vroeger placht te verhalen verschilde nauwelijks van een ontmoeting als deze. Zij was wel verbaasd, maar doorzag toch niet, hoé ongewoon dit was. Maar het diepste medelijden vervulde haar. Dat dit nu tante Josine was...

Josine Praet geleek sterk op haar broer Joris; zij had hetzelfde breede voorhoofd, den tengeren bouw der schouders, den rooden mond in een doodswit gezicht. Maar zooals de oogen van Joris een enkele maal slechts gloeiden, zoo, naar ’t scheen, gloeiden de oogen van zijn zuster altijd. Die hadden het broodmagere gezicht opgebrand, tot er geen lood vleesch meer aanzat en schroeiden, leek het, nu ook de beenderen, alsof Josine eenmaal geen witten doodskop, zooals anderen, maar een zwarten hebben zou. Men zou het gloeien van deze oogen niet licht vergeten; men moest aldoor denken aan den rijken man, die tot Abraham riep: Zend Lazarus, opdat hij het uiterste zijns vingers in water doope en mijn tong verkoele, want ik lijd smarten in deze vlam. Josine’s zwarte haar was strak naar 't achterhoofd getrokken en daar vastgeklonken met wreede haarspelden, te groot voor ’t schrale vlechtje. Ook zij had mooie, witte, gelijke tanden en haar roode mond met de volle lippen deed terstond aan bloed en kussen