is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Maar tante," zeide Stephanie, „zoo is het toch niet. U gelooft toch net zoo goed als wij? Alleen anders."

Het was vriendelijk bedoeld. Doch ’t scheen Josine Praet als een nieuw verraad voor te komen, om eenige verzachting harer smarten te aanvaarden. Haar laatste voldoening leek daarin gelegen, haar wonden op 't felst te doen bloeden. En met de snelle gevatheid, welke hiertoe behoort, antwoordde zij:

„Ja, dat is goed als je Roomsch bent opgevoed. Dan geloof je echt, werkelijk. Maar i k niet. Als i k het geloof niet verloochend heb, wie heeft het dan wèl gedaan... Ik stond er immers net zoo voor als de martelaren. Dan deden de martelaren zóó: er kwamen priesters, om met zoo'n eenvoudigen man te redetwisten. Dat was wat; die geestelijken hadden alles tot hun dienst, ze konden redeneeren, dat je er geen speld tusschen kreeg. En de gevangene was maar een gewone burgerman, een kleermaker of een bakkertje. Dat redetwisten duurde een uur, of twee uren; en telkens kwam er een ander. Ze losten mekaar nog af ook en de gevangene moest zich maar verweren. Ze beloofden hem van alles, als hij zijn ketterij afzweren wilde, maar nee, hij gaf geen kamp. Dan gingen ze heen, op vrije voeten, en hij moest achterblijven in dat hok, met zijn vreeselijke gedachten. Want hij wist immers vast en zeker, dat het toch op den brandstapel uitliep, omdat hij zich nooit zou laten overhalen, en de geestelijken wisten 't evengoed. En zoo was dat redetwisten maar comedie. De martelaren stonden er voor als ik, kind, maar zij hebben hun geloof behouden en ik heb het verloochend."

Dit zeide Josine telkens weer: dat zij haar geloof verloochend had. Dat zij nu juist datgene had losgelaten, wat de martelaren hadden vastgehouden, in den vuurdood nog.

„Ik vertel je alles, Steefje, omdat je van mijn familie bent, mijn nichtje. Ik heb geen vrienden en de kinderen ontloopen mij, omdat ik aldoor zoo boos en heftig ben; ik geef ze gelijk. Ferdinand neemt het heel nauw en hij heeft de kinderen goed Katholiek opgevoed; ze vinden mij griezelig, maar dat heeft hij ze toch niet voorgepraat, want Ferdinand is een eerlijke man. Ik hunker