is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo naar mijn eigen familie. Maar ik durf tegen Anna en Joris amper te knikken, en de jongens van Grauwenhingst zien mij niet, en Edmund Visser ken ik niet eens, die is veel weg, schijnt het. Veronica is een lief mensch, maar die kan kwalijk notitie van mij nemen, als nicht van Smits j en Leent je, je zusje, is veel te mooi gekleed voor zoo'n sloof als ik. En oom Grauwenhingst en tante Steefje Visser komen nooit langs, of misschien wel door de Putterstraat, maar niet door de steeg, en ik zit liefst maar hier, dan ben ik uit den weg. De eenige nog is Aagje Verhagen. Ik ben zoo dóód alleen, Stephanie; als ik nu tegen jou maar es praten kan."

En zonder dat Stephanie antwoord gaf, vertelde Josine Praet verder:

„De brouwerij was toen al net als nu, de oude mijnheer Smits was erin. Het was een groot gezin met kinderen. We mochten niet spelen met ze op straat, of zij niet met ons, dat weet ik niet. Er werden ook nooit Roomsche kinderen gevraagd op onze kinderpartijtjes. Maar Ferdinand was al groot en ik zag hem veel gaan in de Putterstraat. Hij was zoo’n aardige jongen... ik keek graag naar hem. En hij keek naar mij ook. Als dat nu maar intijds gemerkt was. — Ze hadden mij weg moeten brengen, tot Ferdinand zou zijn getrouwd, maar geen mensch had er erg in. Ik begrijp dat nóg niet. Ferdinand kwam 's avonds hier, in de steeg, deze deur uit en ik stond aan jullie kant, in de knechtsdeur, en als er wat was, vloog ik naar binnen. En overdag, dan snapten we weg, een tijd na mekaar, naar de bosschen van Rodrop. En nóg werd het niet ontdekt; of wij nu zoo slim deden, of dat ze thuis te goed van vertrouwen waren, ik weet het niet. Ik stond voor zedig bekend en bij Smits meenden ze zeker en vast, dat Ferdinand zin had in Rosalie, Veronica's zusje. Nu, en dat liet hij maar zoo, dat begrijp je. Ik geloof ook wel, dat Rosalie hem naliep, en dat is misschien anders uitgelegd. — Maar ik, ik heb toen liegen geleerd! Want ik raakte verdwaasd, ik raakte gek van hartstocht. Ik heb in Rodrop op den grond gelegen als een meid van ’t panwerk, met al mijn haren los. Ik gaf toen om geen godsdienst;