is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik had altijd gedacht dat papa veel te vroom was en een sukkel, omdat hij alles weggaf. Oom Gabri zei het, waar wij bij stonden: „Praet, jij eindigt in 't godshuis." Ik gaf om niets en om niemand, alleen om Ferdinand. En nu is alles weg. Ik ben niet Protestantsch meer en Roomsch ben ik nooit geweest. En wij houden niets meer van elkaar. Ik heb alles ook zoo goed geweten van grootpapa Meylof en van ’t Réveil, want papa en mama hebben ons veel daarvan verteld. En nu is 't zóó uitgekomen... Ik heb den weg geweten en ben dien niet gegaan, en nu zal ik met dubbele slagen geslagen worden."

In de stem van Josine was een klank gekomen, welke op het zachte loeien van vlammen leek. Zij stond op en wees naar haar schoot.

„Zie mijn lichaam eens. Ik durf je niet te vertellen, hoeveel kinderen ik gehad heb... zoo velen kwamen er dood. Dat was de kinderplicht; de wiegen mochten niet leeg staan. En dat alles was mijn straf, want 't is geen echte liefde voor Ferdinand geweest, alleen maar hartstocht. Nu, ik heb mijn vergelding gehad van elk jaar een dood kind. Ik heb het verfoeid; ik kan ook geen Ferdinand meer zeggen, ik zeg Smits."

„Maar ’t is nog niet uit," zeide Josine en ging weer zitten. „De Smitsen gingen er eerst tegenin, natuurlijk, toen wij dan eindelijk zeiden waar 't op stond. Zijn moeder zei: liever missionaris ik weet niet waar, dan hier getrouwd met een Protestantsche vrouw. Maar mijnheer Smits zei, dat Ferdinand in de brouwerij moest komen. Toen zei ik: „al wat u maar wilt", en 't was goed. De oude Smitsen waren rechtschapen menschen; ze hebben mij altijd goed behandeld en Ferdinand heeft mij ook altijd goed behandeld, hij is nooit leelijk tegen mij geweest, nee, dat zal ik nooit zeggen — eer ik tegen hém. Maar wat deed dat er toe? Ik heb geen rustig uur meer gehad. Als ik mijn oogen sloot, dan stonden daar de martelaren en klaagden mij aan. Zij zeiden: wij hebben er ons bloed voor gegeven, en daarom hebben wij de kroon gekregen. Maar jij, Josine Praet, waar wij voor gepijnigd en verbrand zijn, dat heb jij verraden."

Martelaarskroon

4