is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Josine geleek nu zooveel op Joris, haar broer, dat Stephanie rilde. De martelaren waren weer opgeroepen, zij stonden daar vóór hen, met hun gefolterd, geblakerd lijf. Maar Joris waren zij tenminste goed gezind; zij wilden dat hij een der hunnen zou zijn en ook een kroon krijgen. Doch zij hadden zich tegen zijn zuster gekeerd — geen wonder, bij haar verraad...

— Er werd op de binnendeur geklopt en de brouwer Smits stapte in de kamer. Hij was een statig man, bolbleek en met een droefgeestig gezicht; 't leek wel, of hij ook niet veel plezier beleefd had van zijn Protestantsche vrouw. Hij zeide, zakelijk en vriendelijk: „Josien, ze komen mij spreken, kan ik hier terecht?"

Zijn vrouw rees op; doodswit was haar gezicht, als tevoren. Zij stond, haar armzalig lijf recht, en liet haar handen hangen. Zoo was zij Josien Smits weer, het magere mensch, het sloofje.

„Zeker kan je hier terecht, Smits," antwoordde zij. „’t Was maar, dat ik met mijn nichtje wilde praten." Toen duwde zij Stephanie naar de buitendeur en zeide laconiek: „Kijk, hier stonden we dan." Maar zij vroeg ook om een kus, en of Steefje terug wilde komen.

Stephanie vertelde het thuis; haar moeder en haar oom geraakten er door in verwarring. „Wij hebben Josine losgelaten, dat was niet goed van ons. 't Was niet, zooals papa 't gewild zou hebben. Maar er is ook zoo gedreven, en ieder weet hoe ’t hier toen met het verschil in godsdienst stond.”

Zij zeiden ook nog, dat Stephanie haar tante moest bezoeken en zoo goed mogelijk troosten. Phaantje wilde zeggen: „Gaat u er dan zelf eens heen." Maar dat scheen onmogelijk te kunnen.