is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar toen Ferdinand Smits werkelijk niet lang daarna werd thuisgebracht en de zwagers óverkwamen, was er geen sprake van, dat Josine hen wilde zien. Ze konden doen wat ze wilden en geen kosten mochten gespaard. Zoo zorgden dus de Katholieke verwanten voor een deftige begrafenis, voor de H.H. Uitvaartdiensten, de Stille H.H. Missen en de plechtig gezongen H. Mis van Requiem. Daarna vroegen zij zakelijke aanwijzingen. En Josine liet antwoorden: zij moesten handelen, volkomen naar goeddunken.

De kinderen werden in pensionaten geplaatst, want de moeder zeide dat zij nu niet Katholiek meer was en dus niet in staat, de wenscheri van haar man betreffende de opvoeding te eerbiedigen. Doch hoe moest het met de brouwerij? De zwagers konden haar niet ovememen. En niemand in de stad bezat geld of energie voor een kwijnend bedrijf, de laatste bierbrouwerij, welke nog in werking was geweest.

De zwagers Smits vroegen een onderhoud met den burgemeester aan. Wat dacht de gemeente van het oppervlak als bouwterrein? Hun broer Ferdinand had wel eens over de nijpende woningtoestanden hier gesproken, niet pas, maar vroeger, in den tijd van burgemeester Klaphek. Er kon op den grond een aardige rij huisjes gezet worden. En de slechtste woningen in de sloppen kon men daarvoor sloopen.

Maar Govaert Wittensteen, de goedaardige jonker, stoof op; hij had in het toenmalig conflict warm de partij van Grauwenhingst gekozen. Hij zeide, dat de gemeente daar niet aan dacht... jawel!... arbeiderswoningen aan de Putterstraat en langs het huis van de familie Praet!

De Smitsen lieten t erbij. Het waren oprechte, welmeenende menschen; het speet hen, dat hun voorstel zoo verkeerd viel. Maar 't had bij Wittensteen en Grauwenhingst te veel opgerakeld. Mijnheer Grauwenhingst stond allerminst als een slecht patroon bekend, de loonen waren hooger bij hem dan op andere steenbakkerijen langs de rivier. De kotjes in de sloppen waren wel uitgewoond en zonder gerief, maar wie vond dat erg? De men-