is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

houdt het putwater koel in den zomer; vlier weert ook 't kwaad, dat in den put zou sluipen. Want dat de put den dood bracht, gebeurde vroeger veel en ’t gebeurt nu nog.

„Als je drinken wil..zeide Joris Praet.

„Welnee, oom," zei Stephanie, „hoe zou ik nu pompwater willen drinken, we krijgen straks toch thee. En de zwengel ligt aan den ketting ook."

„Daar weet ik anders wel raad op."

Uit het muurtje van den welput miste ergens een steen. En in dit nisje zocht en vond Praet den sleutel van ’t hangslot. Men kon niet zeggen, dat de sleutel daar bepaald verstopt lag. Maar 't was toch een wéét, voor wie hier zelden kwam. Hij zeide dat ’t kostelijk water was, levend, frisch water. En Phaantje antwoordde andermaal: „welnee, oom, ik heb er niets geen trek in.” Zij vond het een vreemd voorstel, te drinken uit deze wel. En sloeg er verder geen acht op. Er stonden een paar bonte boerenkommetjes op 't deksel; dat drinken werd dus zeker meer gedaan.

't Was heerlijk luw in den moestuin. Joris Praet en Phaantje zetten zich op 't muurtje en genoten van den zomer, 't Was hier alles eenvoudig genoeg, doch 't was die onbeschrijfbare eenvoud, welke nu eenmaal alles, wat tot een buitenplaats behoort, opdrijft tot fabelprijzen. Wie een eigen jacht bezit, braadt hazen, zoo duur als reeën; wie er kippen houdt voor liefhebberij, eet eieren met gouden dooiers en wie meent dat men uit een particulieren moestuin gratis groenten eet ontdekt dat hij voor zijn sla en oranjepeentjes, asperges en artisjokken kan koopen.

Het klinkerpleintje was ordentelijk geschrobd, ook het muurtje en ’t deksel van den welput verkeerden in goeden staat. Dat de bouw er verwaarloosd bij lag, kon men niet zeggen; Klaas Komijn deed zijn werk zoo, dat er wel plaats voor een aanmerking, maar niet direct oorzaak voor een standje was, nog minder reden tot ontslag wegens verregaande veronachtzaming. De worteltjes waren gezaaid, doch alleen in 't midden van ’t bed; aan de kanten waren breede grijze randen. Op een best, zonnig akkertje groeide niets dan wat radijsjes en in het mooiste hoekje stond enkel nog